
Wet bodembescherming
Artikel 59
1
De verplichting bestaat uitsluitend jegens een rechthebbende die aantoont dat hij:
a
de woning bewoont;
b
gedurende de periode waarin de verontreiniging is veroorzaakt geen duurzame rechtsbetrekkingen heeft gehad met de veroorzaker of veroorzakers;
c
geen directe of indirecte betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging en
d
op het moment van de verkrijging van zijn recht niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging.
2
Voorts moet de rechthebbende aantonen dat de woning in het vrije commerciƫle verkeer niet tegen een redelijke prijs verkoopbaar is. Hij kan dit in ieder geval aantonen indien hij de woning drie maal in een dagblad tegen een redelijke prijs tevergeefs te koop heeft aangeboden, gedurende een periode van zes maanden nadat ingevolge artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.